Water brengt leven. Met natuurbeheerder Alwin Hut van Het Groninger Landschap speuren we rond het Zuidlaardermeer naar de 'Big Three': de bever, de otter en de zeearend.
Drie nieuwkomers met één gemene deler: grootschalige natte natuur. Alwin vertelt over het belang van het herstel van het natuurlijke watersysteem in het gebied en het positieve gevolg hiervan: de komst van de grote drie.
Langs de oever van het Zuidlaardermeer bij Noordlaren raapt Hut een pol met riet op. Hij ruikt eraan en zegt: "bevergeil." Inderdaad, een penetrante muskusgeur. "Hiermee bakent een bever zijn territorium af." De pol ligt langs een smal paadje. Een beverwissel, zo legt hij uit. Later die ochtend wijst Hut een afgekloven
wilgentak aan. In de bast staan afdrukken van scherpe voortanden. "In de winter zijn bevers gek op wilg, 's zomers schakelen ze over op oever- en waterplanten", legt Hut uit. Overal om ons heen liggen bomen plat, vooral wilgen. "Met hun geknaag helpen ze ons om de rietlanden open en gevarieerd te houden." Even later toont hij een beverburcht, bezaaid met takken, vlak langs het fietspad.
Uitgestrekt moeras
Als volleerd spoorzoeker neemt Hut ons deze ochtend mee in het Hunzedal. Hopelijk vinden we de grote drie: de bever, de otter en de zeearend. In levenden lijve krijgen we de bever niet te zien, verzekert hij: "Vergeet het. Bevers zijn nachtdieren, die zie je alleen tijdens schemer."
De drie topsoorten van het Hunzedal hebben veel gemeen: het zijn relatieve nieuwkomers -de bever sinds dertien jaar, de otter tien jaar, de zeearend vijfjaar - en ze houden van grootschalige waterrijke natuur. "Zeearenden leven in uitgestrekte moerassen met volop vis en watervogels. Ook bevers en otters zijn van water afhankelijk. Ze zwemmen erin en vinden er hun voedsel." Hut loopt hier nu veertien jaar rond.
Hij zag het Hunzedal veel groter en vooral natter worden: "Bij mijn start was een van deze polders nog landbouwgrond. Dat hier nu uit zichzelf een zeearend broedt, had ik nooit durven dromen."
Polder staat blank We lopen naar de vogelkijkhut in de Kropswolderbuitenpolder - die overigens ook rolstoelvriendelijk is. Juist nu, in het vroege voorjaar is er veel water. Nagenoeg de hele polder staat blank, als een immense watermassa. "De waterstand is nu op zijn hoogst", vertelt Hut.
Ook in de naastgelegen Westerbroekster- madepolder en de zomerpolders - een strook van een paar honderd meter langs de Hunze - is het drijfnat. Her en der steken pollen boven het water uit. Als een magneet trekt het ondiepe watervogels aan. Om ons heen zien we eenden, sterns en weidevogels. "Hoor je de veldleeuweriken, kieviten en grutto's? Hier kan dat nog.
n onze nummer twee op de lijst? "Die laat zich net als de bever lastig bekijken", zegt Hut. Vier tot tien otters leven hier, maar zelfs Hut zag maar één keer een otter in het wild. Harde bewijzen heeft hij in overvloed: sporen in het veld en vele honderden foto's van zijn bewegingscamera, vaak in de buurt van bevers. "Otters zijn dol op bevers; ze gebruiken oude burchten en delen wissels. Bij vorst houden bevers wakken open, waar otters vissen." Bij afgeknaagde wilgentakken vindt hij een spraint, een otterkeutel. Al pluizend blijkt het vol te zitten met visgraten en schubben. "Het barst hier van de vis."
Nabootsen van de Hunze In dit gebied draait alles om water. Of beter: om de rivier de Hunze, die vanuit Drenthe door het Zuidlaardermeer en het Drentse Diep richting de stad Groningen stroomt. Nu keurig tussen dijken, maar vroeger vaak als onstuimige rivier die ver buiten haar oevers trad.
Overstromen gebeurde vooral in het najaar en de winter. "Dat bootsen we nu kunstmatig na", legt Hut uit. Op vier plekken kan hij een sluis openen, waardoor Hunzewater de polders instroomt. We staan bij een van de inlaten.
De broodroosters, noemt hij de twee enorme schuiven voor de buizen van een meter breed. "Deze polder vol laten lopen duurt een paar dagen", vertelt hij.
Zodra de polders eenmaal vol zijn, blijft Hut van de sluizen af. "Dan doen we niets meer. Langzaam verdampt het water en daalt het peil. In de nazomer vallen delen
11
van de polder droog, zeker in de afgelopen droge zomers.
Dat hoort van nature zo." 's Winters hoog, 's zomers laag, vat hij het peilbeheer samen. "Net als vroeger, toen mensen in de zomer het Zuidlaardermeer overliepen. Op de bodem van het meer ligt een pad. Kun je nagaan."
Groninger Museum in nood Eén uitzondering: staat het wassende water de stad Groningen en de Ommelanden aan de lippen, dan grijpt het waterschap in. Een kraan neemt dan een grote hap uit de kade als noodventiel om de waterstand te laten dalen. "Deze polders zijn aangewezen en ingericht als noodberging.
Rondom de polder ligt een dijk zodat we tijdelijk water kunnen opvangen", zegt Hut. In 2012 maakte hij het mee.
Terwijl het water in de kelder van het Groninger Museum sijpelde, en met het peil het stressniveau steeg, kreeg hij vierentwintig uur de tijd om het vee uit de polder te loodsen.
Het lukte, maar ternauwernood.
Vijf miljoen kuub Hunzewater klotste de polders in, waarna Groningen opgelucht ademhaalde.
Het bleef - gelukkig - bij die ene keer.
Maar Hut staat paraat: "Laat maar komen dat water.
Vorige keer zat de hele polder barstensvol vogels.
Echt spectaculair." Van Hut mag het altijd wel ietsje meer. "Liever zet ik het waterpeil nóg hoger", vertelt hij bij de sluis.
Keizer van het Hunzedal Nog één topsoort hebben we tegoed: de zeearend.
Hut speurt met zijn verrekijker de boomtoppen af. "Daar zit het mannetje nu vaak", zegt hij.
Plots is het paniek in de polder. Grote groepen ganzen gaan gakkend de lucht in. Een voorbode voor hun machtige belager. En ja, het mannetje zeilt hoog over. De keizer van het Hunzedal, noemt Hut hem. De 'Big Three' is voor vandaag binnen, waarmee het Hunzedal zich wederom
bewijst als hét succesverhaal van de Nederlandse moerassen. Met de Martinitoren op de achtergrond zegt Hut: "Prachtig toch, tweeduizend hectare natte natuur dichtbij de stad Groningen, zodat mensen er volop van kunnen genieten."
Het Hunzedal is een paradijs voor vogels en vogelaars.
Camilla Dreef, ecoloog en ambassadeur voor Vogelbescherming Nederland, komt er regelmatig. "Ik woon in Amsterdam, maar mijn schoonouders hebben een huisje in Drenthe. Dan ben ik in de buurt." Vorige zomer nam ze er een aflevering op van het bekende televisieprogramma BinnensteBuiten.
De vogelrijkdom imponeert. "Ik kan er uren op de dijk staan. In de rietkraag zingen de blauwborsten, overal zijn grutto's, veldleeuweriken, eenden en je hebt een prachtig zicht op de zeearenden." Een topwaarneming vindt ze de witwangstern, die sinds 2012 in het Hunzedal broedt. "De enige plek zelfs in Nederland waar ze vast broeden. Het dichtstbijzijnde broedgebied ligt ver in het buitenland." Vorig jaar zag ze tien tot vijftien paartjes. "Ze vliegen je om de oren. Waanzinnig mooi zijn ze. Ze maken hun nesten op drijvende moerasvegetatie. De ouders komen aanvliegen met voedsel. Ze landen niet eens, een snelle 'touchdown' en weer door."
Bijzonder is ook de enorme populatie broedende geoorde futen. Wonderschoon in zomerkleed, vindt Camilla Dreef de vogels, met hun vuurrode ogen met gele veren. "Let op de kokmeeuwen", tipt ze. "Geoorde futen zitten namelijk dicht bij hen in de buurt.
Kokmeeuwen verdedigen hun kolonie fel, en de futen profiteren daarvan." De vogellijst van het Hunzedal wordt alsmaar langer. Broedende steltkluten, kuifduikers, witvleugelsterns, roerdompen: vogelaars kijken nergens meer van op. Maar waarom juist het Hunzedal? "Omdat het zo uitgestrekt en waterrijk is, met veel afwisseling en beschutting: daar houden vogels van. Het gebied is aantrekkelijk voor broedvogels, maar ook voor doortrekkers. In het voor- en najaar vetten ze er een tijdje op. Dan zitten er veel steltlopers, zoals kemphanen en bosruiters. Ik zie ook regelmatig lepelaars. Dat is voor vogelaars het mooie van het Hunzedal: er is altijd wat bijzonders te zien."
Het Groninger landschap. Mooi dichtbij.