DR. W. C. BRAAT
onderdirecteur van het Rijksmuseum van Oudheden te Leiden
De oudste kastelen in ons land
Het zal wellicht niet iedereen duidelijk voor ogen staan wan neer in ons land voor het eerst kastelen gebouwd zijn en ook niet hoe die kastelen eruit zagen. Ik spreek nu van middel eeuwse kastelen, niet van Romeinse vestingen waar in de vroe ge middeleeuwen nog wel ruïnes van overeind stonden. Zo is er sprake van dat Merovingisch-Frankische koningen in de eerste helft van de 6de eeuw te Utrecht een kerkje stichtten.
Het werd echter weldra door de Friezen verwoest. Dat dit kerkje binnen het (Romeinse) castellum lag blijkt uit een brief van Bonifacius1 waarin deze schrijft dat Willebrord in het cas tellum te Utrecht in het eind van de 7de eeuw de fundamenten van dit, door de heidenen verwoeste, kerkje had gevonden.
Maar wanneer zijn edelen hier te lande begonnen particuliere versterkte huizen op te richten? Een particulier versterkt huis is een anomalie en men vindt ook de hele middeleeuwen door dat het bouwen daarvan door vorsten en graven verboden wordt, tenzij soms onder beding dat het een open huis blijft, hetgeen wil zeggen dat de landsheer er wanneer hij dat nodig oordeelt, garnizoen in mag leggen.
Hoe was nu de toestand in de 6de-7de eeuw, in de Mero- vingische tijd? De koning verbleef een gedeelte van het jaar, waarschijnlijk ’s winters, in zijn paleis te Parijs, in de Cité, het eiland in de Seine dat in de vierde eeuw ommuurd was en waar die laat-Romeinse stadsmuren nog bestonden, zodat het stadje later, in de 9de eeuw, nog een beleg door de Noormannen kon doorstaan. De rest van het jaar verbleef de koning in zijn open, onversterkte villa op het platteland, nu in deze, dan in die, want hij moest het hele land doortrekken om te regeren, recht te spreken en ter plaatse met zijn hof de opbrengst van zijn goederen te consumeren. Ook de groot-grondbezitters en de graven (in die tijd nog afzetbare ambtenaren, geen erfelijke adel) woonden in open huizen. In de zuiver Germaanse wereld van het Noorden, in Skandinavië en op Ijsland heeft die toe stand tot in de late middeleeuwen voortgeduurd. Wij lezen in de sagen en kronieken wel van eindeloze veten die in het open veld werden uitgevochten of door overvallen op elkanders hoe ven, maar nooit van de belegering van een versterkt huis. In de tijd van Karei de Grote kwam het leenstelsel op en dat leid de onder diens opvolgers langzamerhand tot erfelijkheid der grafelijke ambten en tot erfelijkheid van adeldom en op den duur, door de zwakheid van het centraal gezag, tot de nood zakelijkheid voor de adel om zich tegen kwaadwillige buren in versterkte huizen te beveiligen.
Toen in het begin van de 9de eeuw de Noormannen hun roof tochten gingen ondernemen, eerst op de kusten van het Fran kische Rijk, maar weldra, toen zij door de desorganisatie van het Rijk vrij spel vonden, ook steeds verder in het binnenland, vonden zij geen sterkten op hun weg. Alleen hadden sommige oude Romeinse steden nog hun ommuringen uit de 3de en 4de eeuw en daar stootten zij dikwijls het hoofd, want zij ken den nog niet het gebruik van belegeringswerktuigen. Lange tijd hadden die strooptochten een incidenteel karakter. Open han- delsstadjes als Quentowic, Witla en Dorestad zijn in de 9de eeuw herhaaldelijk geplunderd en verwoest. Meestal zag men de piraten wel aankomen en konden de bewoners nog de bos sen in vluchten, maar herhaaldelijk wordt toch ook in de kro nieken vermeld, dat mannen en vrouwen geroofd worden en in slavernij weggevoerd. Als de rovers waren vertrokken bouwde men de verbrande houten huizen weer op en kon men hopen weer voor een jaar of tien rust te hebben. Dat duurde zo tot
878. Toen verenigden de Noormannen zich tot een groot leger, dat het Frankische Rijk niet meer verliet maar jaren lang plun derend rondtrok. Men kon ze toen niet meer ontlopen en de enige kans op lijfsbehoud lag in de aanleg van versterkingen, waarbinnen men zich bergen kon. In de Miracula Sancti Ber- tini2 staat beschreven hoe de Noormannen in 891 tevergeefs de stad Noyon in Noord-Frankrijk belegerden, die nog haar oude Romeinse muren had. Zij besloten toen liever de verster kingen aan te vallen die de bevolking in het kustgebied kort tevoren (zoals er staat) had aangelegd van hout en aarde. Zij proberen het met zo’n volksburg bij St. Omer, maar worden afgeslagen en zelfs, als men het bericht geloven mag, door de verdedigers vervolgd en in de pan gehakt. Dit bericht is be langrijk, want het geeft ons de datering (namelijk kort vóór
891) van de ronde burgen waarvan men de sporen nog in het Vlaamse en Zeeuwse kustgebied aantreft en waarschijnlijk ook nog verder noordwaarts langs de Noordzeekust (waarschijnlijk o.a. Burg op Texel) en op de Noordfriese eilanden, de Lem- becksburg op Föhr en de Tinnumburg en de Burg van Achsum op Sylt. In Vlaanderen kan men aan de ringvormige aanleg van de oude stadskernen nog duidelijk zien dat behalve St. Omer (de genoemde versterking bij de abdij van St. Bertin) in elk geval St. Winocksbergen en Veurne tot deze volksburgen behoorden. Op Walcheren zijn het Middelburg, Souburg en Domburg. Huizinga heeft er het eerst op gewezen dat wij in deze drie plaatsen versterkingen uit de Noormannentijd moe-
106
ten zien3. In 1939 kon ik te Souburg opgravingen verrichten en in 1940 te Middelburg4. Die onderzoekingen bevestigden Huizinga’s veronderstelling volkomen. Het meest succesvol was het oudheidkundig onderzoek echter te Burgh op Schou wen in 1952, waar het terrein in later tijd nooit bebouwd is ge weest zoals te Middelburg, noch grotendeels afgegraven zoals te Souburg5. Al de genoemde burgen waren rond van vorm en ongeveer 150 meter in middellijn binnen de wal. Zij hadden een aarden wal, die in de drie onderzochte Zeeuwse burgen van buiten met klei bekleed was en een vrij brede gracht. Bin nen de wal hadden houten hutten gestaan. Ik kreeg de indruk dat deze het karakter hadden van tijdelijke onderkomens, her haaldelijk weer geslecht en herbouwd. Vooral in Burgh was het schervenmateriaal overvloedig. Het wees in zijn oudste vor men duidelijk op het einde van de 9de eeuw6. Zowel de date ring als de aard van de aanleg klopten dus volkomen met de beschrijving van deze, door de landbevolking in haast opge worpen versterkingen uit de Miracula Sancti Bertini. Al deze burgen uit de latere Vikingtijd, de oudste versterkingswerken die wij na de Romeinse tijd in ons land aantreffen, waren rond van aanleg zoals wij zagen. Er zijn nog een paar andere ronde burgen uit de vroege middeleeuwen in ons land te vinden, na melijk de Hunenborg bij Weerselo in Twente7, de Hunne- schans aan het Uddelermeer8 en de Hunneschansop deGrebbe- berg en die op de Duno bij Oosterbeek. Dat woord Hunne of Hunen heeft niets met het volk der Hunnen te maken. Het is hetzelfde als in hunebed (= reuzenbed); hune of heune bete kent reus. In Duitsland vindt men tal van Hünenburgen, wal burgen uit de vroege middeleeuwen waarvan niet meer is na te gaan wie ze heeft aangelegd.
De Hunenborg bij Weerselo, een ovale aanleg met voorburg, wat kleiner dan de genoemde volksburgen in Zeeland en met de sporen van een stenen gebouw in de hoofdburg, stamt, naar de aardewerkvondsten te oordelen, uit de tiende of elfde eeuw
en is hoogstwaarschijnlijk wel reeds het versterkte huis van een edelman of gouwgraaf. De drie hunneschansen, die aan het Uddelermeer, op de Grebbeberg en op de Duno, zijn niet rondom door een wal omgeven, maar open naar het water toe, respectievelijk naar het Uddelermeer en naar de Rijn die aan de voet van de steile hellingen van de Grebbeberg en de Duno stroomt. Ook de burchten op de Grebbeberg en de Duno da teren pas uit de 10de eeuw, maar een volkomen gelijksoortige aanleg is de Erthenenburg die reeds in 822 in Neder-Saksen werd aanglegd op de hoge rivieroever bij een belangrijke over- gang over de Elbe. Trouwens, Karei de Grote zelf liet in het onrustige Saksenland reeds sterkten aanleggen, met name de bisschopszetels Hamburg, Munster en Paderborn en de burcht Ezesfeld aan de Stör (in 810) bij, of op de plaats van, het latere Itzehoe. In de burcht op de Duno zag Holwerda het slot Rhe- dichem van Graaf Balderik (10de eeuw) en ook die op de Greb beberg schrijft hij aan hem toe. Deze veronderstellingen, ont leend aan de kroniek van Alpertus Mettensis9 en aan de Vita Meinwerci Episcopi10, hoewel niet strikt bewijsbaar, berusten op goede gronden. De oudste ceramiek die in de Hunneschans aan het Uddelermeer gevonden is, dateert de aanleg van deze versterking in het einde der 9de eeuw, dus in dezelfde tijd als de Zeeuwse burgen. Mogelijk is dus ook deze burg opgericht om bewoners van de Veluwe een veilige wijkplaats te bieden bij Noormannengevaar. Het kan ook de zetel zijn geweest, of later geworden, van de gouwgraaf van Stevere (Staverden), zoals Holwerda veronderstelde. In de 10de eeuw liet de Duitse keizer Hendrik de Vogelaar tal van burchten aanleggen en door een vaste kern van burgmannen bezetten, om aan de in vallen der Hongaren het hoofd te bieden. Het is natuurlijk denkbaar dat ook onze Hunneschansen, die toen al bestonden, daarvoor gediend hebben.
Met onze hunneschansen zijn wij, in tegenstelling tot de rijksburchten van Karei de Grote in het Saksenland en de
107
vluchtburgen door de bevolking van het kustgebied aangelegd, nu, in de 10de eeuw, tenslotte bij de particuliere adelsburchten aangekomen. Alpertus Mettensis geeft ons in zijn geschiedwerk ook een levendig verhaal van de toestanden in die tijd, de twis ten van graaf Balderik en zijn gemalin Adela (een soort Lady Macbeth, die niet voor moord en doodslag terugdeinsde) met hun buren, graaf Wichman o.a. en hun zoons, waaronder bis- schop Meinwerc. Het is die toestand van wetteloosheid bij ver zwakt overheidsgezag, waar ik in de aanhef al op zinspeelde, die alom tot de versterking van adelshuizen heeft geleid, die tevoren meer het karakter van open, of slechts licht versterkte, hoeven hadden.
Hoe zo’n adelshuis in de loop van de 10de en 11de eeuw van een open, slechts door een lichte palissade en een gracht omge ven, hoeve in een paar etappes uitgroeide tot een verdedigbaar kasteel in de vorm van een houten toren op een ruim 6 meter hoge heuvel, leert ons de opgraving van de Husterknupp bij Frimersdorf aan de Erft, door Herrnbrodt in 1 9 4 9 /5 1 Hus terknupp is een verbastering van Hochstadener Knupp (= bult, heuvel). Het was het stamhuis der graven van Hochsta- den. De eerste fase (eerste helft 10de eeuw) vertoont ons een „Flachsiedlung”, een slechts licht versterkte houten hoeve met bijgebouwen op vlak terrein, door een gracht omgeven. De tweede fase (2de helft 10de eeuw) was een „Kernmotte”, een terreinophoging van een paar meter, ook door een gracht om geven, waarop wederom een paar houten gebouwen, met daar-

Afb. 2. Een Vliedberg te Gapinge.
Afb. 3. Nog bestaande kasteelbergjes (zgn. „vluchtbergen”) op Walcheren, 1888.
108
bij een voorburg op vlak terrein met economiegebouwen. De derde fase tenslotte (1 Ide eerste helft 13de eeuw) was de reeds genoemde, ruim 6 meter hoge heuvel binnen een ring gracht met een houten woontoren op het kleine, door een pa lissade omgeven, bovenvlak.
Dergelijke kunstmatig opgeworpen burchtheuvels uit de 11de eeuw, waarop, natuurlijk reeds lang verdwenen, houten torens hebben gestaan, vindt men nog in groten getale in het Rijnland. Behalve de Husterknupp zijn er nog verscheidene andere door opgravingen nader bekend geworden. Reeds veel eerder, in de dertiger jaren der vorige eeuw, zijn zulke kasteel- heuvels in Normandië gesignaleerd, door Arcisse de Caumont, die ze de naam „chateau a motte”, heuvelkasteel, gegeven heeft en er op heeft gewezen, dat er contemporaine afbeeldin gen van bestaan, namelijk op het bekende tapijt van Bayeux, een geborduurde beeldkroniek van de daden van Willem de Veroveraar (afb. 1).
Dit nu, het Chateau a motte, is in de lldc-I2dc eeuw de gewone vorm van een versterkt huis in het vlakke land12. Het bestond uit een kunstmatige heuvel van 6 a 10 meter hoogte, omgeven door een gracht en op de top een houten toren. Op de erbij gelegen lage voorburg stond het woonhuis, stallen enz.
In de toren trok men zich terug in geval van een beleg. De in gang van de toren was op de bovenverdieping, bereikbaar met een ladder die men in kon halen. Men heeft die heuveltjes ten onzent bijna overal afgegraven, maar op de Zeeuwse eilanden zijn er nog een klein aantal. Men noemt ze daar vliedbergen, in de mening dat ze zijn opgeworpen als toevlucht bij waters nood (afb. 2). Dat is natuurlijk niet juist. Daar zouden zij ook te klein en onnodig hoog voor zijn. Die Zeeuwse kasteelbergjes zijn helaas in de loop der jaren bij massa’s afgegraven, maar in 1888 waren er nog 66 op Walcheren (afb. 3) en in 1897 nog 32 op Schouwen, 27 op Noord en Zuid-Beveland en 9 op Tho- len. Bij afgravingen is meermalen gebleken dat sommige al thans in meer dan één etappe zijn opgeworpen, net als de Hus- terknuppen dat is ook bij wetenschappelijke opgravingen aan het licht gekomen. Halbertsma en Trimpe Burger hebben de grondlagen van reeds afgegraven kasteelbergjes onderzocht, resp. te Buttinge en te Abbekinderen. In beide gevallen ver toonden zich duidelijk de grondsporen van een groot, vierhoe kig houten huis, de herenhoeve uit de 10de eeuw, die aan het latere kasteel vooraf was gegaan. De Berg van Troje te Borssele, de stamzetel van het bekende geslacht van die naam, de enige van de nog volledig bewaarde kasteelheuvels in ons land die in zijn geheel onderzocht is13, bleek in niet minder dan vier fasen te zijn opgehoogd. De drie perioden in houtbouw, die ik zowel bij doorgraving van de heuvel als op de voorburg kon vaststellen, dateerden alle wel uit de 12de eeuw. Met de laatste ophoging, in het begin van de 13de eeuw, ging een herbouw in baksteen gepaard. De berg werd toen tevens rondom stijl afge sneden, zodat zij een cylindervorm kreeg, en rondom ingevat in een zware grondkerende ringmuur met talrijke steunberen (vgl. de reconstructie afb. 4). Van deze eigenaardige bouwwijze zijn in ons land geen andere voorbeelden meer over, maar er er mij twee in Engeland bekend. Er werden in Borssele geen duidelijke plattegronden verkregen van de aan de baksteen- bouw voorafgaande houten torens der drie oudere bouwperio den. Het is daarom wel goed een blik te werpen op de opgra- vingskaart van de Abinger motte in Engeland (afb. 5). Wij zien daar op het bovenvlak van de heuvel zich duidelijk de grond-

Afb. 4. De
sporen aftekenen van een zware palissade en daar binnen de paalgaten van een vierkante, stevige houten toren. De Abinger motte is een van die vele „motte and bailey castles”, heuvel- kastelen met voorburchten, die de ridders van Willem de Ver overaar na 1066 in Engeland bouwden om het veroverde ge bied onder de duim te houden. Toen Harolds leger in het open veld bij Hastings was verslagen lag het land voor de veroveraar open, want de Saksische edelen hadden, volgens oud-Germaan- traditie, geen versterkte huizen die tot steunpunten hadden kunnen dienen voor verder verzet.
Behalve in Zeeland zijn er nog wel een paar van zulke kunst matige burchtheuvels in ons land te vinden. Naast het kasteel van Wijnantsrade in Zuid-Limburg is de heuvel van het oor

Afb. 5. De
109
Afb. 6. De
spronkelijke slot nog in volle omvang bewaard. De resten van het kasteel Millen zijn tegen en op de overblijfselen van een „motte” gebouwd. Hetzelfde is het geval met het slot te Oost- voorne. De burchtheuvel van Montferland, mogelijk het slot Uplade van Balderik en Adela, is ook nog een prachtig voor beeld en tenslotte natuurlijk de burcht van Leiden, een grafelijk kasteel, een vergrote vorm van de heuvelburcht van de kleine edelman. De burcht van Leiden, die in de 12de eeuw gebouwd moet zijn, is wat men in Engeland noemt een „shellkeep”, een tufstenen ringmuur op een grote, kunstmatig opgeworpen, heuvel. Er hebben geen gebouwen binnen de ringmuur gestaan, alleen een poorttoren, zoals bij recente opgravingen door Ro denburg werd aangetoond. Oudere onderzoekingen wettigen het vermoeden, dat aan de 12de-eeuwse bouw een kleinere en lagere heuvel met een houten toren op de top is voorafgegaan.

Hoe de kasteelbouw zich verder in de loop van de middel eeuwen in ons land heeft ontwikkeld, kan men zien aan de op- gravingskaart van het slot te Egmond (afb. 6). In de dertiger jaren heeft men de fundamenten blootgelegd. Men ziet daar het latere kasteel uit de 13de eeuw, vierhoekig met op de zuid oosthoek een ronde toren en op de noordwesthoek een zware vierkante donjon. Daar vóór ligt de langgerekte voorburg.
Door de poort van de voorburg komt men op het terrein van de oudere ronde burcht, die ongetwijfeld bij de bouw van het latere kasteel gesloopt is. Men zou menen dat dit het in de Loonse oorlog in 1204 verwoeste slot op den Hoef van Kwade Wouter was, maar dat is zeker niet het geval. Deze ronde, bak stenen burcht op vlak terrein, van hetzelfde type als het nog bestaande slot te Teylingen, de reeds lang gesloopte huizen Ter Does, bij Leiderdorp, Groot Poelgeest bij Koudekerk, de oudere bouw van het huis te Brederode, dat vooraf is gegaan aan de nog bestaande ruïne en tal van anderen, zal uit het be gin van de 13de eeuw dateren. Neen, het slot van Kwade Wou ter, dat in de Loonse oorlog verbrand werd, moet een „chateau a motte” geweest zijn en zal zeer waarschijnlijk gelegen hebben iets ten zuidoosten van het rondeel, waar nog een klein eilandje in de gracht ligt, dat op de plattegrond niet getekend staat. Bij een kleine opgraving vond ik tussen de fundamenten van de latere, vierhoekige hoofdburcht de verkoolde paalstompen van de gebouwen der voorburg van het oudste slot op den Hoef terug.
De oudste vorm van het versterkte adelshuis hier te lande is dus het „chateau a motte”. Behalve in Zeeland waren er vroe
ger ook in Friesland een groot aantal overblijfselen van zulke primitieve kasteeltjes bewaard. Bij vrijwel elke stins heeft zo’n heuveltje gelegen. Men noemde ze daar hege wieren14. Ze zijn in de loop der jaren allemaal afgegraven. In het Utrechtse kun nen wij nog het huis Oud Wulven noemen. Na de afbraak van het landhuis dat er in de 18de eeuw op was gebouwd, vond men in de heuvel nog het fundament van een bakstenen toren van grote kloostermoppen en daar onder een brandlaag, wij zend op een houten gebouw, dat daaraan was voorafgegaan.
In het graafschap Holland zullen de kasteelbergjes vroeger wel niet veel minder talrijk zijn geweest dan in Zeeland en Fries land (er is er o.a. vroeger een af gegraven bij Oegstgeest; ook het stamslot der heren van Wassenaar bij de Kerkdarti aldaar is nog in recente tijd verdwenen) maar in die steeds door de zee bedreigde landen zal men ze langer gespaard hebben om ze als refugium bij watersnood te kunnen gebruiken (vandaar de naam vliedbergen in Zeeland).
Dat die vroeg-middeleeuwse kasteeltjes zo talrijk waren en dikwijls heel dicht bij elkaar lagen, heeft men ook in het Rijn land kunnen constateren. De namen van de geslachten die er op gewoond hebben zijn, behoudens enkele uitzonderingen, zoals Borssele ten onzent, enkele namen in Normandië en in het Rijnland, in vergetelheid geraakt. In de latere middel eeuwen is die alleroudste stand van kleine edelen bijna geheel overvleugeld door de jongere adel en, zoals dat ook, met name in Frankrijk, in de loop van de 17de en 18de eeuw met vele geslachten is geschied, verarmd en afgezakt in de boerenstand.
Wij zullen namelijk naar alle waarschijnlijkheid in die kasteel heren uit de 10de tot 12de eeuw de voorouders moeten zien van de lieden die men in latere oorkonden tegenkomt als wel geborenen, personen die zich toen in staat en levenswijze in niets meer onderscheidden van de huislieden, de gewone boe ren, behalve dat ze niet schatplichtig waren, maar d.e.t. per soonlijk ter heervaart werden opgeroepen15. Inderdaad, die kasteelbergjes zijn niet alleen interessant voor onze kennis van de vroeg-middeleeuwse versterkingskunst, zij vertegenwoordi gen ook een stuk sociale geschiedenis waaraan tot dusver, zo ik meen, nog weinig aandacht is besteed.
1 Mon. Germ. Ep. lil, 395. 2 Mon. Germ. Script. XV, 512. 3 J. Huizinga, Burg en Kerspel in Walcheren. Med. Kon. Acad. v.
Wetensch. Afd. Letterk. Dl. 80, Serie B. 4 W. C. Braat, Souburg en Middelburg. Oudh. Med. R. Mus. v.
Oudh. XXII (1941). 5 W. C. Braat, Burgh op Schouwen. Oudh. Med. XXXV (1954). 6 W. C. Braat, Die Keramiek von Burgh. Oudh. Med. XLI (1960). 7 J. H. Holwerda, De Hunenborg in Twente. Versl. en Med. Ver. v. Overijsels Recht en Gesch. 33e Stuk, 2e Reeks 9e Stuk. 8 J. H. Holwerda, De Hunneschans bij het Uddelermeer. Oudh.
Med. III (oude Reeks, 1909). 9 Alpertus Mettensis, De Diversitate Temporum. Ed. Pijnacker Hordijk, 1902. 10 Vita Meinwerci Episcopi. Browerus, Sidera lllustrium et Sanc- torum. 11 A. Herrnbrodt, Der Husterknupp (1958). 12 Wij zullen ons hier niet bezighouden met de gelijktijdige kas teelbouw in berglanden. 13 W. C. Braat, De Berg van Troje, het Stamslot der Heren van Borssele. Oudh. Med. XLII (1961). 14 H. Halbertsma, De zogenaamde Hege Wieren in Friesland. It Beaken 11 (1949). 15 I. H. Gosses, Welgeborenen en Huislieden.
Bijlagen
De_oudste_kasten_in_onsland.pdf
Open configuratie-instellingen
Gebouwd met Drupal
Lade 'Administratiemenu' geopend.